•   Bel ons: (0570) 671358
  •  

Geen arbeidskorting na ziekmelding

Ziektewetuitkeringen worden alleen als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt als deze worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Als de dienstbetrekking is beëindigd, vormen de uitkeringen geen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dat geval bestaat er geen recht op arbeidskorting.

Uitzendovereenkomst 

Op 25 november 2021 sluit een man een uitzendovereenkomst (fase A). Deze overeenkomst bevat een belangrijke bepaling: de dienstbetrekking eindigt van rechtswege bij ziekmelding. In 2022 meldt de man zich ziek in week 7 en opnieuw van week 14 tot en met 52. Voor deze periodes ontvangt hij een ziektewetuitkering. In zijn aangifte 2022 geeft de man € 26.962 aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en claimt hij een arbeidskorting van € 4.008. De inspecteur stelt de arbeidskorting vast op € 915.

Arbeidskorting

De rechtbank oordeelt dat de ziekmelding de dienstbetrekking heeft beëindigd. De ziektewetuitkering die de man in week 7 van 2022 heeft ontvangen, kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Er bestaat over dit bedrag geen recht op arbeidskorting. Wanneer de man vanaf week 8 weer arbeid verricht, is er sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit de contractuele bepaling dat partijen een nieuwe overeenkomst moeten sluiten als de eerdere dienstbetrekking wegens ziekte is beëindigd. Deze nieuwe dienstbetrekking eindigt vervolgens van rechtswege met de tweede ziekmelding van de man. Hierdoor kunnen ook de ziektewetuitkeringen die de man heeft ontvangen in de weken 14 tot en met 52 van 2022 niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Ook over deze bedragen bestaat dus geen recht op arbeidskorting.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:6778 | 01-09-2026

Een dga verhuurt sinds 2009 een werkkamer, de garage en een kantoor in het souterrain aan zijn eigen bv, voor € 2.000 per maand. De dga wil met zijn vennootschappen één fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen, maar de inspecteur houdt hem daarbuiten. Verhuren aan de eigen werkgever is in zijn ogen geen zelfstandig ondernemerschap. De rechtbank denkt daar anders over en het hof bevestigt dat. Doorslaggevend zijn de schriftelijke huurovereenkomst en vijftien jaar betaalde huur. De dga hoort dus in de eenheid.

Een contract uit 2009

De dga bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt de aandelen in de bv houdt. Hij is in dienst bij de holding, die zijn loonkosten doorbelast aan de bv. In maart 2009 sluit hij met de bv een huurovereenkomst voor het exclusieve gebruik van de werkkamer, de garage en het kantoor in het souterrain. De tuin, oprit en technische ruimte gebruiken zij samen. De huur wordt elke maand voldaan, tot hij vijftien jaar later emigreert.

Deelname aan de markt

Volgens de inspecteur ontbreekt hier elke realistische marktverhouding. De ruimten horen bij de woning, de medebewoners lopen door de garage en de huurprijs dekt hooguit de kostprijs. Het hof gaat daar niet in mee. Bij een pand dat zich voor zakelijk en privégebruik leent, tellen alle omstandigheden van de exploitatie en die wijzen één kant op: vijftien jaar onafgebroken verhuur tegen een vaste vergoeding. Of die vergoeding onder de kostprijs of de marktprijs ligt, doet niet ter zake zolang dienst en betaling een reëel verband houden.

Los van de dienstbetrekking

De vraag resteert of de dga zelfstandig handelt. Sinds het arrest Van der Steen is hij voor werk uit zijn arbeidsovereenkomst geen btw-ondernemer en het gebruik van kamers in zijn woning voor die dienstbetrekking telt evenmin zelfstandig mee. Verhuur naast de dienstbetrekking kan wel ondernemerschap opleveren, mits objectieve gegevens dat bevestigen. Die zijn er: een schriftelijk contract met een omschreven huurobject en een huur die maandelijks binnenkomt. Bij die verhuur ontbreekt elke ondergeschiktheid, ook al gebruikt de bv de ruimten uitsluitend voor zijn werkzaamheden. Dat de holding de vergoeding in de loonaangifte tot het loon rekent, maakt de verhuur evenmin een uitvloeisel van de dienstbetrekking. 

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1840 | 14-07-2026

Een holding trekt ruim € 2 miljoen aan managementkosten af. Deze zijn gefactureerd door een buitenlandse vennootschap, geleid door de bestuurder van de holding. De factuur dateert van maart 2020, bestrijkt 2017 tot en met 2022 en wordt nooit betaald. De inspecteur schrapt de aftrek en de rente over dat bedrag. 

Vijf jaar in één factuur

De vennootschap vormt met twee dochters een fiscale eenheid en verliest in juni 2020 haar enige aandeelhouder. Zijn weduwe is al sinds november 2018 bestuurder en erft de aandelen. Die bestuurder stuurt in maart 2020 via haar buitenlandse vennootschap een factuur van € 2.167.760 aan een dochter, voor het managen van een procedure tegen een bank. De specificatie beslaat 2017 tot en met 2022, dus ook werk dat nog moet gebeuren. Er wordt niets betaald. Het bedrag wordt verwerkt in de rekening-courant.

Wel verzwaard, niet omgekeerd

Over 2020 en 2021 komen de aangiften pas nadat de aanslagen er liggen. Wie de termijn uit de aanmaning laat verlopen, doet niet de vereiste aangifte. De AWR verbindt daaraan omkering en verzwaring van de bewijslast. Toch is de omkering hier niet aan de orde. Omdat alleen de kostenaftrek in geschil is en die bewijslast toch al op de vennootschap rust, valt er niets om te keren en resteert de verzwaring. Zij moet dus overtuigend aantonen dat de kosten zakelijk zijn.

Verleden, heden en toekomst

In die bewijslast slaagt de vennootschap niet. Een factuur die vijf jaar aan verleden, heden en toekomst bestrijkt, noemt de rechtbank zeer ongebruikelijk; het uitblijven van betaling versterkt de twijfel. Een schriftelijke overeenkomst over het gestelde uurtarief van $ 150 ontbreekt, net als een vastlegging van de afspraken uit februari 2020. De onkosten komen elke maand op hetzelfde bedrag uit en ontberen elke onderbouwing. De advocaten die over de inzet van de bestuurder verklaren, zien haar bovendien als bestuurder van de vennootschap zelf. Het vervallen van de aftrek heeft ook gevolgen voor de rente.

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2026:21004 | 20-07-2026

Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowattuur (kWh) en de marktwaarde van de certificaten. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Deze vergoeding vormt geen loon in de zin van de wet.

Loon van de werkgever

De vergoeding voor ERE-certificaten vormt geen loon van de werkgever. Dit komt doordat niet wordt voldaan aan de 'verstrekkingseis' en de 'causaliteitseis' van het loonbegrip. De vergoeding is geen voordeel in opdracht of voor rekening van de werkgever en heeft onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking; het behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer.

Een vergoeding voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak valt buiten de loonsfeer als intermediaire kosten, waarbij de ERE-certificaten de integrale kostprijs per kWh drukken. Afspraken over doorlevering van energie onder zakelijke voorwaarden kunnen de vergoeding buiten beschouwing laten. Hiervoor is immers de prijs op de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraken tussen partijen bepalend.

Loon van derden

Ook is er geen sprake van loon van derden. Hiervoor is vereist dat het voordeel een beloning is voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak wordt niet gezien als een werkzaamheid in dienstbetrekking, maar als een handeling van de werknemer als particuliere gebruiker van het stroomnet.

Bron: Belastingdienst | publicatie | KG:204:2026:16 | 02-08-2026

Een werkgever betaalt het salaris rechtstreeks aan een werknemer. Achteraf blijkt dat de werknemer onder bewind stond en de betaling aan de bewindvoerder had moeten plaatsvinden.

Bewind en loonbetaling

Een vof exploiteert kermisattracties en heeft een werknemer in dienst. De werknemer staat sinds 2 juni 2022 onder bewind. De werknemer werkt van 1 juli 2024 tot en met 16 augustus 2024 voor de vof. De vof betaalt het salaris van € 3.810,64 bruto, inclusief 8% vakantietoeslag, rechtstreeks aan de werknemer. Op 11 februari 2026 sommeert de bewindvoerder de vof om het bedrag alsnog aan haar te betalen, maar de vof betaalt niet.

Niet-bevrijdende betaling

De bewindvoerder stelt dat de vof het loon aan de verkeerde persoon heeft betaald, waardoor de betaling niet bevrijdend is. De vof verweert zich met de stelling dat zij niet wist dat de werknemer onder bewind stond en dat de werknemer zelf de bankgegevens heeft opgegeven. Het beheer over de onder bewind staande goederen komt niet aan de werknemer maar aan de bewindvoerder toe. De werknemer was niet bevoegd de betaling in ontvangst te nemen.

Openbare registers 

De rechtbank oordeelt dat de betaling aan de werknemer niet bevrijdend is. De vof had kunnen weten dat de werknemer onder bewind stond, omdat het bewind is ingeschreven in de openbare registers. De vof blijft daarom verplicht het loon te betalen. De rechtbank wijst de vordering toe voor het netto-equivalent van € 3.810,64 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2026. De gevorderde wettelijke verhoging van 50% wordt afgewezen, omdat het loon wel tijdig aan de werknemer is betaald, zij het niet bevrijdend.

Bron: Rechtbank Limburg | jurisprudentie | ECLI:NL:RBLIM:2026:7667 | 28-07-2026

Een man schenkt zijn zoon tweemaal € 100.000 via schuldigerkenningen, waarover hij jaarlijks 6% rente verschuldigd is. Voor zijn overlijden betaalt de man eenmaal € 7.000 rente zonder specificatie. De inspecteur stelt dat de rente niet volledig is voldaan, waardoor beide schenkingen fictieve erfrechtelijke verkrijgingen zijn.

Fictieve verkrijging en toerekening

Volgens de wet is sprake van een fictieve verkrijging als de erflater het genot van de geschonken goederen heeft behouden en niet jaarlijks minimaal 6% rente heeft betaald. Het hof oordeelt dat voor elke schuldigerkenning afzonderlijk moet worden beoordeeld of de rente tijdig en voldoende is betaald. Indien rentebetalingen niet zijn gespecificeerd en minder rente is betaald dan verschuldigd over alle schuldigerkenningen samen, moet de betaalde rente worden toegerekend aan de respectieve schuldigerkenningen.

Oudste verbintenis 

Het hof oordeelt dat de betaling van € 7.000 op 2 december 2020 zoveel mogelijk moet worden toegerekend aan de oudste verbintenis, de schuldigerkenning van 2019. Voor deze schuldigerkenning is de verschuldigde rente uiteindelijk tijdig voldaan. Voor de schuldigerkenning van 2020 is een deel van de rente niet tijdig betaald, waardoor deze terecht als fictieve verkrijging in de erfbelasting is betrokken. Dat de rentebetalingen niet zijn gespecificeerd in de betalingsomschrijving staat daaraan niet in de weg. 

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5189 | 03-08-2026

In 2019 laat een directeur-grootaandeelhouder zijn werkmaatschappij € 116.324 uit de agioreserve op zijn privérekening storten. De inspecteur ziet daarin een verkapte uitdeling door de tussenliggende holding en legt een navorderingsaanslag op naar een verzamelinkomen van € 198.153. De aandeelhouder stelt dat hij een onbelaste terugbetaling van kapitaal bedoelt en laat de besluitvorming in 2023 alsnog repareren. Het hof oordeelt dat de wettelijke voorwaarden vóór de uitkering vervuld moeten zijn. De navordering blijft in stand.

Geld uit de agioreserve

De aandeelhouder bezit alle aandelen in een holding, die op haar beurt alle aandelen in de werkmaatschappij houdt. Op 14 oktober 2019 besluit de aandeelhoudersvergadering van de holding tot een uitkering uit de agioreserve van de werkmaatschappij. Diezelfde dag doet de werkmaatschappij aangifte dividendbelasting en kruist aan dat inhouding achterwege kan blijven. Het bedrag gaat rechtstreeks naar de privérekening van de aandeelhouder. Hij vermeldt het niet in zijn aangifte over 2019, maar geeft het in mei 2022 alsnog aan als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang, waarna de inspecteur navordert.

Reparatie in 2023

In bezwaar noemt de aandeelhouder het een terugbetaling van kapitaal. In juni 2023 volgt een reeks herstelhandelingen. De werkmaatschappij zet de agioreserve om in nominaal aandelenkapitaal, vermindert dat kapitaal weer en draagt haar vordering op de aandeelhouder over aan de holding. De holding verrekent die vordering met een dividenduitkering. In augustus 2023 maakt de aandeelhouder € 116.324 over naar de werkmaatschappij en daarmee acht hij de uitdeling teruggedraaid. Hij beroept zich bovendien op dwaling.

Wanneer is het een uitdeling?

Een regulier voordeel ontstaat zodra vermogen naar de aandeelhouder verschuift met de bedoeling hem als zodanig te bevoordelen, terwijl beide partijen zich daarvan bewust zijn of hadden moeten zijn. De aandeelhouder zit de vergadering zelf voor, notuleert die en ondertekent de aangifte dividendbelasting. Bovendien geeft hij het bedrag in 2022 zelf aan. 

Verkeerd jaar, verkeerd niveau

De wet IB verlangt voor een onbelaste terugbetaling dat de algemene vergadering daartoe besluit en dat de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met hetzelfde bedrag daalt, beide vóór de uitkering. In 2019 gebeurt geen van beide. Wat in 2023 alsnog gebeurt, valt in het verkeerde jaar en op het verkeerde niveau: bij de werkmaatschappij in plaats van de uitkerende holding. Ook het beroep op dwaling helpt niet. De terugwerkende kracht van een vernietiging geldt fiscaal niet. 

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:2169 | 29-06-2026

Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf.

Een lening uit 2006

Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden.

Bewijslast bij de inspecteur

De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om.

Nergens een spoor

Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:4498 | 06-07-2026

Een dga overlijdt in 2018 en zijn weduwe verkrijgt alle aandelen in zijn bv. In de aangifte van de erflater staat geen vervreemdingsvoordeel. Volgens de weduwe ligt daarin een impliciet verzoek om doorschuiving besloten. Zij claimt in 2020 een verlies van ruim € 260.000. De inspecteur gaat uit van het gestorte aandelenkapitaal en komt uit op een verlies van € 5.000. De rechtbank geeft de inspecteur gelijk. Sinds 2015 staat het verzoek als aan te kruisen vakje op het aangiftebiljet en de bv drijft geen onderneming.

Verlies van twee ton

In haar aangifte over 2020 vermeldt de weduwe een negatief vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang van ruim € 260.000. Zij rekent met een overdrachtsprijs van bijna € 13.000 en een verkrijgingsprijs van ruim € 270.000, bestaande uit agio en aandelenkapitaal. De inspecteur wijkt daarvan af en stelt de verkrijgingsprijs vast op het gestort en geplaatst aandelenkapitaal per 1 januari 2018 van ruim € 18.000. De inspecteur komt zo uit op een verlies van € 5.000.

Sinds 2015 een vakje

De doorschuifregeling vergt een schriftelijk verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden. Dat verzoek kan ook impliciet worden gedaan, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006. De weduwe wijst op een uitspraak waarin het hof zo'n impliciet verzoek aanneemt. De rechtbank ziet een beslissend verschil: die zaak betreft een aangifte over 2011, toen het biljet nog geen vakje voor doorschuiving kende. Sinds 2015 bestaat dat vakje wel en in de aangifte over 2018 is het leeg gebleven. Wie het verzoek kan en moet doen maar dat nalaat, voldoet niet aan de voorwaarde.

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:7358 | 06-08-2026

Een vrouw doet over 2011 geen aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legt in 2015 een verzuimboete van € 984 op, 20% van het wettelijke maximum. Het boetebeleid schrijft sinds 2014 weliswaar nog maar 7% voor, maar het overgangsrecht verklaart die regel pas van toepassing vanaf belastingjaar 2014. De Hoge Raad zet dat overgangsrecht opzij wegens strijd met het legaliteitsbeginsel. De boete gaat naar € 344.

Aangifte blijft uit

De inspecteur nodigt de vrouw uit om aangifte te doen, herinnert haar en maant haar aan. De uiterste termijn voor de aangifte inkomstenbelasting wordt door de inspecteur op 7 mei 2014 gesteld. De aangifte blijft echter uit. Op 10 januari 2015 legt de inspecteur ambtshalve een aanslag op, met een verzuimboete. Omdat het om een tweede achtereenvolgend verzuim gaat, legt hij, overeenkomstig het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 2011, een boete op van 20% van het wettelijke maximum (van destijds € 4.920).

Twintig of zeven procent?

De vrouw wijst erop dat de maximale boete slechts 7% van € 4.920 (€ 344) mag bedragen. In het BBBB van 2014 is immers de regel vervallen op grond waarvan bij een tweede achtereenvolgende verzuim een verzuimboete wordt opgelegd van 20% van het maximum. De Hoge Raad overweegt dat het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de gunstigste bepaling (volgens Europese verdragen) meebrengen dat de boete niet hoger mag zijn dan wat ten tijde van het beboetbare feit mogelijk was, of wat later gunstiger is geworden. Het overgangsrecht dat de nieuwe regeling pas vanaf belastingjaar 2014 van toepassing verklaart, moet buiten toepassing blijven wegens strijd met deze verdragsbepalingen.

Maximum van 2014 telt

Ook de verhoging van het wettelijke maximum per 1 januari 2015 naar € 5.278 blijft buiten toepassing, omdat het beboetbare feit daarvóór ligt en het gunstigste bedrag telt. De Hoge Raad vermindert de boete tot € 344 en matigt niet verder, vanwege de financiële omstandigheden van de belastingplichtige. Het hof achtte een boete van € 492 immers al proportioneel. 

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1341 | 06-08-2026