•   Bel ons: (0570) 671358
  •  

Gratis werken toch belast

Een vrachtwagenchauffeur werkt in 2019 en 2020 bijna gratis voor de bv van zijn zoon en dochter. Hij is persoonlijk failliet en alles wat hij verdient gaat naar de curator. Daarom wil hij geen inkomen op eigen naam. De inspecteur belast hem toch voor ruim € 64.000 per jaar en legt een boete op van € 6.828. Het hof geeft de inspecteur gelijk over het inkomen, maar schrapt de boete.

Rijden voor de kinderen

De vrachtwagenchauffeur en zijn vrouw gaan in oktober 2016 failliet. Twee maanden later richten hun kinderen een bv op. De bv heeft een paardenpension, een mesthandel en een transporttak. De vader rijdt als chauffeur voor andere transportbedrijven. Ook maakt hij de facturen op en sluit hij de contracten af. In twee jaar krijgt hij in totaal maar € 5.176 loon. De bv stuurt de rekening voor zijn ritten zelf naar de klanten. In 2019 levert dat € 64.659 op, in 2020 zelfs € 201.001.

Geen loon, wel inkomen

De inspecteur vindt eerst dat de omzet eigenlijk van de vader is. Dat wijst het hof af. Iedereen wil juist dat het geld naar de bv gaat en zo is het ook geregeld. Toch is het chauffeurswerk een bron van inkomen. Hij doet mee in het zakenleven en zijn werk levert normaal gesproken geld op. Een gewone baan is het niet, want niemand geeft hem opdrachten. Het hof belast zijn werk daarom als resultaat uit overige werkzaamheden. Daarbij geldt dezelfde regel als voor ondernemers: wie familie bewust te goedkoop helpt, wordt belast alsof hij een normale prijs vraagt.

Familie gaat voor

De vader wijst op een oud arrest van de Hoge Raad. Wie een ander uit persoonlijke motieven iets gunt, wordt daar meestal niet voor belast. Maar datzelfde arrest maakt een uitzondering voor bijzondere gevallen. Dit is zo'n geval, zegt het hof. Het geld komt rechtstreeks uit zijn werk en hij laat het aan de bv van zijn kinderen. Hij zegt zelf dat hij voor een ander niet gratis zou werken. Een normale beloning voor zijn rol is volgens het hof ten minste € 70.000 per jaar. De correctie van de inspecteur is volgens het hof dus niet te hoog.

Wel inkomen, geen boete

De boete gaat wel van tafel. Het hof is van mening dat er sprake is van een pleitbaar standpunt. De rechtspraak zegt weinig over wanneer zo'n uitzondering van toepassing is. De vader mag daarom redelijkerwijs denken dat hij alleen het geld hoeft op te geven dat hij echt ontvangt.

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1941 | 21-07-2026

Wie voor een bestelbus geen bijtelling aangeeft, moet dat standpunt goed kunnen onderbouwen. Dat ondervond een hovenier die na een anonieme klikbrief te maken kreeg met een boekenonderzoek. De inspecteur mocht zelfs navorderen over een jaar waarin hij de aangifte ten onrechte automatisch had laten afhandelen, omdat de ondernemer te kwader trouw was.

Bus met bijrijdersbank

Volgens de hovenier is zijn bus door aard en inrichting nagenoeg uitsluitend geschikt voor goederenvervoer. Hij wijst op de grootte, het gewicht en het vuil. Het hof is niet onder de indruk. Op een foto van Marktplaats staat gewoon een bijrijdersbank. De verklaringen over die bank spreken elkaar tegen. Eerst is hij verwijderd, dan teruggeplaatst voor de verkoop en ten slotte juist nodig voor een collega die trilplaten tilt. De bijtelling (van € 7.249) blijft staan.

Klikbrief als nieuw feit

Over 2016 is de zaak eenvoudig. De aanslag volgt in oktober 2017 de aangifte en de klikbrief komt pas in december 2018. Het boekenonderzoek leert dat de rittenadministratie pas op 11 juli 2016 begint. Dat is een nieuw feit. Over 2017 ligt het anders. De klikbrief ligt dan al vijf maanden op het bureau. Toch laat hij de aangifte automatisch afhandelen. Dat is een ambtelijk verzuim en daarmee ontbreekt het nieuwe feit voor navordering.

Kwade trouw

Bij kwade trouw mag de inspecteur ook zonder nieuw feit navorderen. Volgens zijn eigen rittenregistratie rijdt de hovenier in 2017 minstens 744 kilometer privé. Hij weet dus dat hij een bijtelling moet aangeven. In bezwaar schrapt de inspecteur de vergrijpboete over 2017. Volgens de hovenier vervalt daarmee ook de kwade trouw. Het hof ziet dat anders. Een geschrapte boete staat een beroep op kwade trouw niet in de weg. 

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:2222 | 11-08-2026

Een werkgever wil zijn werknemers verplichten om minimaal 40% van hun werktijd op kantoor aanwezig te zijn. De ondernemingsraad (OR) stemt niet in met dit nieuwe beleid. De werkgever stapt daarop naar de rechter om vervangende toestemming te vragen voor de invoering van het beleid. De rechter vindt het niet onredelijk om medewerkers te verplichten om 40% van hun werktijd op kantoor te zijn.

Verplicht op kantoor

De werkgever hanteert tot 2020 een beleid waarbij werknemers volledig op kantoor werken. Door de coronamaatregelen in 2020 moeten werknemers noodgedwongen thuiswerken. Na de pandemie start de werkgever in februari 2022 een pilot voor hybride werken, waarbij werknemers worden aangemoedigd om een deel van hun werktijd op kantoor door te brengen. Sinds 1 juli 2023 geldt een beleid dat werknemers aanmoedigt om ten minste 40% van hun werktijd op kantoor te zijn. Uit metingen blijkt echter dat over een periode van een jaar (derde kwartaal 2024 tot en met derde kwartaal 2025) slechts 27% van de werknemers deze aanbeveling opvolgt. Dit is voor de werkgever aanleiding om het beleid aan te passen naar een verplichting.

Redelijke balans 

De werkgever stelt dat het verplichte beleid een redelijke balans biedt tussen kantoor- en thuiswerken. Het bevordert de bedrijfscultuur, onderlinge verbinding, opleiding en ontwikkeling, en effectieve samenwerking tussen teams. Omdat de vrijblijvende regeling niet werkt, is verplichte aanwezigheid een redelijk middel. De werkgever heeft het oorspronkelijke voorstel van 50-60% verplichte aanwezigheid al verlaagd naar 40% en een overgangsperiode van zes maanden ingesteld, inclusief een hardheidsclausule voor werknemers die in problemen komen. Ook wijst de werkgever op zijn beleidsvrijheid en instructierecht.

De OR vreest grote nadelen voor werknemers, zoals extra reistijd en -kosten, negatieve impact op zorgtaken en gezondheid. Een enquête onder werknemers toont aan dat 87,1% tevreden is met het huidige vrijblijvende beleid. Ook is de OR kritisch over de controle op aanwezigheid via netwerkgegevens, wat zij ziet als disproportioneel.

Redelijk belang 

De rechter oordeelt dat de werkgever een redelijk belang heeft bij de verplichting om werknemers ten minste 40% van hun werktijd op kantoor te laten komen. Het is aannemelijk dat fysiek contact op kantoor bijdraagt aan onderlinge verbinding, opleiding, ontwikkeling en effectieve samenwerking. Omdat aanmoediging tot nu toe niet heeft gewerkt, is verplichte aanwezigheid een redelijk middel. De rechter weegt mee dat de werkgever beleidsvrijheid heeft en dat werknemers redelijke aanwijzingen moeten opvolgen.

De rechter stelt vast dat de werkgever voldoende oog heeft gehad voor de nadelen voor individuele werknemers door aanpassingen te doen, zoals de verlaging van het percentage en de invoering van een overgangsperiode en een hardheidsclausule. Wel moet de werkgever zorgen voor voldoende werkplekken. De rechter concludeert dat de OR in redelijkheid zijn instemming niet kon weigeren. De werkgever krijgt daarom vervangende toestemming om de beleidswijziging door te voeren.

Bron: Rechtbank Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:RBAMS:2026:10590 | 27-10-2026

Een man parkeert zijn auto op een parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd is. Hij betaalt deze echter niet, omdat zijn dochter alleen maar even een pakketje hoeft op te halen bij het nabijgelegen afhaalpunt. De man blijft ondertussen zelf in de auto zitten met de alarmlichten aan.

Laden en lossen

De man is het er niet mee eens dat hij hiervoor een naheffingsaanslag parkeerbelasting krijgt. Volgens hem is er geen sprake van parkeren, maar van laden en lossen. Ter onderbouwing toont hij een kassabon met hetzelfde tijdstip als de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar vindt de naheffingsaanslag terecht opgelegd, omdat sprake was van parkeren.

Definitie van parkeren

Volgens de wet is parkeren het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een voertuig, anders dan de tijd die nodig is voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden en lossen van zaken. Van onmiddellijk laden en lossen is alleen sprake bij het daadwerkelijk plaatsen van goederen in of het nemen van goederen uit het voertuig. Als een voertuig stilstaat gedurende de tijd dat iemand bezig is met het ophalen of afleveren van zaken, is geen sprake van onmiddellijk laden en lossen, maar van parkeren, ongeacht hoe lang of hoe kort het voertuig stilstaat.

Klein pakketje

Bij de beoordeling of sprake is van laden en lossen, is van belang of het stilstaan van een voertuig noodzakelijk is voor het onmiddellijk laden of lossen van zaken. Hierbij speelt de omvang of het gewicht van de zaken een rol. In dit geval ging het om een klein pakketje, een USB-adapter. Het ophalen van zo'n klein pakketje kwalificeert niet als laden en lossen. Het feit dat de man in de auto zat met de alarmlichten aan, verandert hier niets aan. Aangezien er geen parkeerbelasting is voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep van de man ongegrond.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:8066 | 17-06-2026

Een dga liquideert in februari 2020 zijn bv, waarin een pensioenaanspraak in eigen beheer en een stamrecht aanwezig zijn. De bv heeft op dat moment een vordering van € 117.190 op de dga. In zijn aangifte 2020 vermeldt de dga geen inkomen uit stamrecht. De inspecteur stelt dat de dga het pensioen- en stamrecht heeft prijsgegeven. Omdat slechts € 117.190 daarvan voor verwezenlijking vatbaar is (door verrekening met de vordering), is alleen dat bedrag tot het inkomen gerekend. De inspecteur legt hiervoor een navorderingsaanslag op.

Nieuw feit

De dga stelt dat er geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat de inspecteur eerder onderzoek had moeten doen. Ook vindt hij dat de berekende waarde van het pensioenrecht niet reëel is, omdat er geen geld meer in de bv zit. De rechtbank oordeelt dat de liquidatie van de bv een nieuw feit vormt, omdat de inspecteur pas na de vpb-aangifte van de bv over de benodigde informatie beschikte. De dga heeft de vereiste aangifte niet gedaan, omdat hij de waarde van het stamrecht niet heeft aangegeven. Hij was door zijn adviseur gewaarschuwd dat hij niet van de bv af kon vanwege het stamrecht, maar heeft ervoor gekozen de bv desondanks te liquideren. Hierdoor wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag op een redelijke schatting gebaseerd, welke de dga niet overtuigend heeft kunnen weerleggen.

Arbeidsongeschiktheid 

Onder bepaalde voorwaarden kan een aanspraak op lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht, zonder dat revisierente verschuldigd is. Een van die voorwaarden is dat de belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is. De dga betoogt dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn arbeidsongeschiktheid, net zoals bij de afkoop van een lijfrente. De rechtbank volgt dit betoog niet. Er is hier geen sprake van 'afkoop', maar van 'prijsgeven'. De wettekst biedt geen ruimte voor de door de dga voorgestane ruime uitleg. Ook maakt hij niet aannemelijk dat de revisierente voor hem een buitensporige last vormt.

Bron: Rechtbank Gelderland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBGEL:2026:7933 | 13-10-2026

Een stichting huurt een pand waarin een restaurant is gevestigd. Op papier is het restaurant verpacht aan verschillende vennootschappen, waaronder een Engelse onderneming en een Nederlandse bv. Volgens de stichting zijn deze pachters verantwoordelijk voor de exploitatie en het personeel. Daarom meent de stichting dat zij geen werkgever is en dus geen loonheffingen hoeft af te dragen. De Belastingdienst denkt daar anders over en legt naheffingsaanslagen op tegen het anoniementarief.

Naheffing

Het hof stelt vast dat de stichting zelf de inkomsten uit het restaurant ontvangt en ook de lonen van het personeel betaalt. Bovendien is niet gebleken dat met de pachters een daadwerkelijke financiële afrekening heeft plaatsgevonden. Daarom acht het hof aannemelijk dat het restaurant feitelijk voor rekening en risico van de stichting wordt geëxploiteerd. De stichting is daardoor inhoudingsplichtig voor de loonheffingen van het personeel. 

Anoniementarief 

Daarnaast oordeelt het hof dat het anoniementarief terecht is toegepast. De loonadministratie van de pachters kan niet aan de stichting worden toegerekend. De stichting heeft geen eigen loonadministratie bijgehouden, waarin de relevante gegevens van de werknemers zijn opgenomen. Daardoor is sprake van nettoloonbetalingen aan anonieme werknemers.

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1949 | 21-07-2026

Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie.

Bezittingen en de aanslag

De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%.

Geen deposito

Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden.

Werkelijk rendement onbekend

Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5874 | 07-09-2026

Een adviesbureau dient op 22 juli 2024 hoger beroep in tegen een naheffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). Het adviesbureau stuurt een machtiging mee die al ruim drie jaar oud is. Het hof vraagt een machtiging van hooguit drie maanden oud en geeft het bureau daarvoor tot 3 september 2024. De nieuwe machtiging komt pas op 6 september binnen, zonder uitleg. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de zaak daarom terecht laten liggen. Ook het Europese recht verandert daar niets aan.

Te laat is te laat

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het behandelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het bureau gaat daartegen in verzet, een soort bezwaar bij hetzelfde hof. Dat verzet strandt, omdat het bureau geen reden geeft voor de vertraging. Bij de Hoge Raad gooit het bureau het over een Europese boeg. Iedereen heeft volgens het Handvest van de grondrechten van de EU recht op toegang tot de rechter. Het hof houdt volgens het bureau onnodig streng vast aan termijnen. Ook vraagt het bureau de Hoge Raad om vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

Wie zit aan tafel?

Alleen de belastingplichtige zelf mag tegen zijn aanslag procederen, maar hij mag zich wel laten vertegenwoordigen. Is die vertegenwoordiger geen advocaat, dan mag de rechter om een schriftelijke machtiging vragen. Een advocaat valt onder eigen beroepsregels en hoeft geen machtiging te overhandigen. De rechter mag daarbij om een recente machtiging vragen, zonder uit te leggen waarom. Komt die machtiging niet op tijd binnen, dan mag de rechter het beroep laten liggen. Voorwaarde is wel dat er een redelijke termijn is gegeven voor het herstellen van het gebrek en dat de vertraging niet te verontschuldigen is.

Europa helpt niet

Europa laat de procesregels grotendeels over aan de lidstaten. Die regels mogen alleen niet strenger zijn dan bij gewone Nederlandse zaken en mogen procederen niet praktisch onmogelijk maken. Volgens de Hoge Raad blijft de eis van een machtiging daarbinnen. Die eis zorgt ervoor dat alleen wie echt bevoegd is een zaak voert. Voor een professionele adviseur is een machtiging binnen een redelijke termijn bovendien goed te regelen. Vragen aan het Europese Hof zijn dus niet nodig.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1483 | 01-10-2026

Een man ontvangt uitkeringen uit meerdere lijfrenteverzekeringen. De inspecteur belast deze bedragen in box 1, wat leidt tot een geschil over de juiste fiscale behandeling. De man had een 'Hoogrentende Spaarpot Polis' en twee andere verzekeringen met een lijfrenteclausule. In 2019 ontvangt hij uitkeringen van € 49.119, € 21.968 en € 7.025. De inspecteur neemt deze bedragen op in box 1 van de inkomstenbelasting. De man is van mening dat de uitkeringen in box 3 belast moeten worden, omdat het beleggingsproducten betreft. Ook wil hij dat de saldomethode wordt toegepast, waardoor alleen het deel boven de betaalde premies wordt belast.

Box 1 en saldomethode

Het hof oordeelt dat de verzekeringen terecht in box 1 zijn belast. De 'Hoogrentende Spaarpot Polis' is een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule die onder het 'pre-Brede Herwaarderingsregime' valt. Volgens de wetgeving van vóór 2001, die nog steeds van toepassing is op deze oudere polis, wordt een afkoop van zo'n verzekering in box 1 belast. De man heeft de lijfrentetermijnen niet tijdig vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente, waardoor de afkoopsom in box 1 valt. De twee andere verzekeringen zijn ook met een lijfrenteclausule afgesloten. 

Omkeerregel 

De heffing in box 1 over de uitkeringen is niet slechts een belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenoverstaand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat voordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaand aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid.

Saldomethode

De saldomethode houdt in dat alleen het deel van de uitkeringen, dat hoger is dan de betaalde premies, wordt belast. Deze methode kan echter niet worden toegepast als de premies in aftrek zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht. Voor de 'Hoogrentende Spaarpot Polis' toont de man niet aan dat hij de premies niet in aftrek heeft gebracht. Gezien het karakter van de verzekering is het waarschijnlijk dat dit wel is gebeurd. Voor de andere twee verzekeringen bevestigt de man zelf dat hij de premies in aftrek heeft gebracht.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2438 | 24-08-2026

Vijf werknemers krijgen van de Franse moedervennootschap van hun werkgever voorwaardelijke rechten op aandelen. Zij ontvangen die aandelen alleen als zij na vier jaar nog in dienst zijn én aan bepaalde prestatiedoelen voldoen. Voordat de voorwaarden zijn vervuld, vindt een overname plaats. De nieuwe eigenaar doet de werknemers een voorstel: lever de voorwaardelijke aandelenrechten in en ontvang daarvoor een cashbonus. De cashbonus is niet gekoppeld aan de aanwezigheid in het bedrijf, prestaties of andere voorwaarden. Alle werknemers accepteren dit aanbod. Daardoor krijgen zij uiteindelijk geen aandelen, maar een bonus van in totaal ruim € 630.000, uit te betalen in 2016 en 2018. Achteraf blijkt dat bij geen van de vijf werknemers zou zijn voldaan aan de voorwaarden om de rechten op aandelen onvoorwaardelijk te doen worden.

Voorziening

De Nederlandse werkgever wil deze toekomstige kosten al in 2015 verwerken door een fiscale voorziening te vormen. De inspecteur wijst dit verzoek af. Volgens hem valt de regeling onder de wettelijke aftrekbeperking voor aandelen- en optieregelingen. Die bepaling voorkomt dat een onderneming de kosten van aan werknemers toegekende aandelen of optierechten van de winst aftrekt. Volgens de inspecteur maakt het daarbij niet uit dat de rechten nog onder voorwaarden zijn toegekend. 

Aftrekbeperking 

De Hoge Raad ziet dat anders. Volgens de Hoge Raad ontstaat pas een daadwerkelijk aandelen- of optierecht als aan de opschortende voorwaarden is voldaan. Zolang dat niet gebeurt, kunnen werknemers hun rechten niet afdwingen. In deze zaak worden de voorwaardelijke rechten al eerder ingeruild voor een cashbonus. De voorwaarden worden dus nooit vervuld. Daardoor ontstaat fiscaal gezien nooit een aandelen- of optierecht waarop de aftrekbeperking van toepassing is.

Cashbonus 

De cashbonus is daarom geen aandeelhouderslast die niet aftrekbaar is, maar een gewone ondernemingsuitgave. De werkgever mag hiervoor een voorziening vormen en die ten laste van de winst brengen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1631 | 08-10-2026